Er is een traditionele opvatting rondom intelligentie die zegt dat er één algemene, te testen intelligentie factor is. Hiervoor zijn in de twintiger jaren van de vorige eeuw testen ontwikkeld. (Binet)
Piaget ontwikkelde op basis van nieuwe inzichten in de 50er jaren een theorie die meer de aandacht vestigde op het verloop van de ontwikkeling van een proces. Het uiteindelijk bereikte niveau is minder belangrijk.
Vanaf 1960 werd steeds meer hersenonderzoek gedaan met behulp van nieuw ontwikkelde technieken. Op basis van dit onderzoek verwerpt Howard Gardner de traditionele benadering van ‘’intelligentie.’’ Hij meent dat de traditionele benadering van de intelligentie slechts één intelligentie toetst en wel de academische. Dit is geen goede voorspeller voor later succes in de maatschappij.

Gardner omschrijft intelligentie als volgt:
’Naar mijn idee moet een menselijke intellectuele competentie een aantal probleemoplossende vaardigheden omvatten die het individu in staat atellen problemen of moeilijkheden die hij tegenkomt op te lossen en, waar nodig, een goed werkend product creëren. Een menselijke intellectuele competentie moet ook de potentie hebben problemen te onderkennen of te creëren, wat de basis legt voor het verkrijgen van nieuwe kennis. Deze eerste vereisten laten zien hoe ik me wil concentreren op díe intellectuele krachtbronnen, die van belang zijn in een samenleving, een culturele context.’’ ( Gardner, 1983, p.60-61)

Gardner zegt dat er acht gebieden van intelligentie bestaan:

Wiskundig-logisch of logisch-mathematische intelligentie Het vermogen om logische verbanden en onderliggende principes te begrijpen en om makkelijk met (abstracte) getallen en hoeveelheden te werken. Mensen bij wie dit gebied goed is ontwikkeld, denken beredenerend en zijn vaak kritisch.

Taalkundige of verbaal-linguistische intelligentie Het gaat om de capaciteit om taal te gebruiken om je uit te drukken en om anderen te begrijpen en te overtuigen. Mensen met taalkundige intelligentie denken in woorden. Zij zijn dan ook in staat om iets te begrijpen dat alleen in woorden wordt overgebracht.

Visueel-ruimtelijke intelligentie Het vermogen om situaties en problemen voor je te zien en er op die manier mee te werken. Mensen met een goed ontwikkeld visueel-ruimtelijk intelligentie denken in beelden. Ze maken vaak kleine tekeningetjes wanneer ze zich langere tijd op gesproken tekst moeten concentreren.

Lichamelijk-motorische of lichamelijk-kinesthetische intelligentie Het vermogen om (delen van) het lichaam te gebruiken om een probleem op te lossen, iets uit te drukken of iets te maken. Mensen die dit gebied goed hebben ontwikkeld, begrijpen iets door het te doen. Sommigen gebruiken daarbij het liefste hun hele lichaam, anderen voornamelijk hun handen. Deze mensen hebben vaak beweging nodig om zich goed te kunnen concentreren.

Muzikaal-ritmische intelligentie Het vermogen om muzikale en ritmische patronen te herkennen, te onthouden en te maken. Mensen die dit intelligentiegebied gebruiken, denken in ritmes en melodieën. Zij kunnen zich beter concentreren als de stem van een spreker veel nuances heeft of als zij zelf ritmisch bewegen, ritmische geluiden maken of horen.

Natuurgerichte of naturalistische intelligentie Het vermogen om patronen in natuurlijke omgevingen te herkennen, te begrijpen en ermee te werken. Mensen met een goed ontwikkelde naturalistische intelligentie worden door een natuurlijke omgeving en door het observeren van natuurverschijnselen aan het denken gezet. Doordat zij nauwkeurig observeren, kunnen zij natuurlijke én door mensen gemaakte objecten vaak goed classificeren.

Interpersoonlijke intelligentie Het vermogen om anderen aan te voelen, te begrijpen, te begeleiden, te leiden en te manipuleren. Mensen die interpersoonlijk intelligent zijn, denken door met anderen te praten over hun gedachten. Wanneer ze dat niet doen, denken ze minder diep. Deze mensen hebben een voorkeur voor samenwerken en kunnen dat meestal ook goed.

Intrapersoonlijke intelligentie Het vermogen om te reflecteren, en op basis daarvan de juiste beslissingen te nemen. Mensen met een sterk ontwikkelde intrapersoonlijke intelligentie hebben zelfkennis. Ze weten wat ze willen, wat ze wel of niet kunnen en hoe ze beter kunnen worden op gebieden waarin ze nog niet goed zijn. Ze denken van binnen, in zichzelf en denken minder makkelijk wanneer er geluiden zijn of als er om hen heen wordt gepraat.

Een aantal jaren geleden kwam Gardner met een negende intelligentie: de existentiële- of filosofische intelligentie. De omschrijving hiervan is als volgt: mensen die goed zijn in existentiële intelligentie zijn altijd op zoek om van elk betekenisvol onderwerp de inhoud in zijn breedste context te plaatsen. Ze bekijken alledaagse ervaringen in een tijdloos kader. Ze overdenken en filosoferen. Ze zijn geinteresseerd in de kosmos en vaak in kunst. Mensen die sterk zijn in deze intelligentie leren het beste door verbanden te leggen tussen de inhoud en vragen naar betekenis en waarde.

Gardner geeft aan dat ieder mens een uniek patroon van intelligentie heeft. Deze werken op elkaar in en ondersteunen elkaar. Het onderwijs zou niet meer de vraag moeten stellen: ‘’Hoe slim is dit kind?’’ maar: ‘’Hoe is dit kind slim?’’
Wanneer een kind op de eigen talenten en intelligenties aangesproken wordt, wordt er beter aangesloten bij de leerbehoeften van dat kind.
Onderwijs Praktijk Texel baseert haar begeleiding en coaching sterk op bovenstaande visie.