Mensen worden als beelddenker geboren. Taaldenken is een manier van denken die vanaf de basisschoolleeftijd aangeleerd wordt. Uit onderzoek blijkt dat mensen vanaf ongeveer het vierde jaar een voorkeur ontwikkelen voor één van beide systemen. In Nederland worden al jarenlang de termen Beelddenken en Taaldenken gebruikt.

Echter deze staan voor de twee geheugensystemen Visuospatial Memory (ruimtelijk inzichtelijk geheugen) en Verbal Memory (talig geheugen). Beide geheugensystemen vereisen een verschillende manier van leren en werken.

De beelddenker werkt vanuit inzicht, doorzicht en vanuit het geheel. Het is een globale leerstijl met een voorkeur voor beelden, het is associatief denken. De taaldenker leert onderdelen op volgorde vanuit analyse.

Taaldenken gaat in 2 woorden per seconde. Beelddenken verloopt in 32 beelden per seconde.  Hierdoor schiet  het denken via mentale beelden van situaties en gebeurtenissen door het hoofd, waarin meerdere zaken tegelijkertijd zichtbaar worden, op elkaar inwerken en een zinvol geheel vormen; in één oogopslag heeft de beelddenker overzicht. Hij overziet snel complexe situaties.

Als de beelddenker het vervolgens moet verwoorden staat hij vaak met de mond vol tanden, omdat er eerst een innerlijke vertaling van beeld naar taal gemaakt moet worden. Dat kan in de klas of op het werk erg lastig zijn: je weet en zegt het goede antwoord, maar hebt veel moeite om te vertellen hoe je tot die oplossing gekomen bent. Als het helemaal tegenzit kun je zelfs beschuldigd worden van afkijken als je het door je grote denksprongen niet voor elkaar krijgt om de hele bewerking van de opgave op te schrijven…. Hierdoor kunnen gevoelens van teleurstelling en zelfs faalangst de kop op steken.
DSC_2749Het beelddenkende kind met een voorkeur voor Visuospatial Memory moet leren om informatie op zijn eigen manier te verwerken. Die manier is anders dan men gewend is op school en vraagt dus om een aangepaste manier van lesgeven. Het auditieve denken ( denken in taal, interne spraak) komt als laatste. Het in beelden denkende kind moet zich leren redden in een ‘talige’ omgeving. Niet de leerstof is voor dit kind het probleem, maar de manier waarop het aangeboden wordt.

 

Op het werk kun je gelijke reacties verwachten: je idee is geweldig als je begrijpelijk kunt uitleggen waarom het een goed idee of een goede oplossing is. Kun je dat niet dan zal er  niet naar je geluisterd worden en voel jij je onbegrepen en ondergewaardeerd.